Schrijftip
Er is een regel in scenarioschrijven die behoorlijk streng klinkt:
Elke scène moet conflict bevatten.
Niet bijna elke scène. Niet de belangrijke scènes.
Elke scène. Honderd procent.
Dat klinkt misschien overdreven, maar eigenlijk is het vrij logisch. Zonder conflict gebeurt precies wat je hoofdpersonage wil. En dat levert doorgaans korte boeken op.
Je hoofdinspecteur wil een moordenaar vinden. Hij belt aan bij het eerste huis.
“Bent u de moordenaar?”
“Ja.”
Bedankt voor het lezen.
Jack wil op de Titanic het hart van Rose veroveren. Hij spreekt haar aan, zij vindt hem onmiddellijk fantastisch en verbreekt haar verloving. Het schip raakt géén ijsberg, ze komen aan in Amerika en ze leven nog lang en gelukkig.
Een verhaal ontstaat pas wanneer iets niet lukt. Wanneer iemand iets wil en er iets tussen hem en dat doel staat.
Daarom heb je conflict nodig.
Alleen vind ik conflict geen geweldig gekozen woord. Bij conflict denken we namelijk snel aan ruzie.
Twee mensen tegenover elkaar. Stemverheffing. Een deur die wordt dichtgeslagen. Iemand die aan een keukentafel uitschreeuwt:
“Ik kan dit niet meer, Patrick!”
Dat is conflict. Maar het is slechts één vorm ervan.
In snel geschreven fictie, bijvoorbeeld soaps, zie je dit soort conflict nogal eens terugkomen. Het is duidelijk, makkelijk herkenbaar en snel neer te zetten. Twee personages willen iets anders en uiten hun ongenoegen.
Alleen zou een boek van vierhonderd pagina’s waarin iedereen voortdurend ruzie maakt behoorlijk vermoeiend worden.
Daarom gebruik ik zelf liever het woord weerstand.
Soms is die weerstand een ander personage. Soms een haai. Soms geldgebrek. Soms tijd. Soms angst.
En soms is degene die je personage het meest tegenwerkt gewoon hijzelf.
Externe weerstand
De eenvoudigste vorm zit buiten het personage. Er is iets concreets dat het doel moeilijk maakt.
In Jaws moet de haai gevangen worden. Probleem: de haai heeft daar zelf weinig zin in.
In een boksfilm wil iemand wereldkampioen worden, maar er staat toevallig nog iemand in de andere hoek die hetzelfde idee heeft en aanzienlijk harder kan slaan.
Een vrouw wil ontsnappen uit een huis, maar de deur zit op slot.
Een jongen wil op tijd bij zijn vader in het ziekenhuis zijn, maar zijn auto start niet.
Allemaal externe weerstand.
Die vorm zien we vaak in actiefilms, omdat ze onmiddellijk zichtbaar is. We kunnen de tegenstand letterlijk aanwijzen.
De vijand. De storm. De bom. De gesloten deur. De tegenstander. De achtervolgende wagen.
Dat maakt externe weerstand dankbaar. Ze is direct, visueel en makkelijk te begrijpen. Je hoeft als kijker niet lang na te denken over waarom Indiana Jones wegloopt voor een gigantische rollende steen.
Interne weerstand
Interessanter wordt het vaak wanneer de tegenstand niet buiten het personage zit, maar erin.
Die vorm van weerstand vinden we vaker terug in psychologisch drama. Er hoeft niets te ontploffen en niemand hoeft iemand achterna te zitten, maar we voelen wel dat een personage met zichzelf in gevecht is.
Dat is minder spectaculair. Maar daarom niet minder spannend.
Stel dat een man aan de rand van een drukke straat staat.
Hij moet naar de overkant.
Niet bepaald materiaal voor een thriller.
Tot we ontdekken dat hij twee jaar geleden op diezelfde plaats bijna werd doodgereden en maanden heeft moeten revalideren.
Nu verandert die straat.
Er staat geen vijand tegenover hem. Er is geen boosaardige automobilist. Niemand probeert hem fysiek tegen te houden.
En toch is er conflict.
Of beter: weerstand.
Hij wil oversteken. Maar hij durft niet.
Dat kan een complete scène dragen. Misschien zelfs een veel sterkere scène dan twee mensen die tegenover elkaar staan te roepen.
Goede schrijvers kiezen hun weerstand
Daar zit volgens mij een belangrijk verschil tussen middelmatig en sterk schrijven.
Middelmatige schrijvers zien het woord conflict en denken: ruzie.
Goede schrijvers zijn veel preciezer.
Ze vragen zich af welk soort weerstand deze scène nodig heeft.
Moet die zichtbaar zijn? Moet ze uitgesproken worden? Of wordt de scène sterker wanneer niemand zegt wat er werkelijk aan de hand is?
Dat laatste is vaak interessanter.
Het conflict dat niet wordt uitgesproken
Se7en bevat daar een mooi voorbeeld van.
We weten als kijker dat Tracy, de vrouw van Mills, ongelukkig is in de stad. Ze voelt zich er niet thuis en worstelt bovendien met iets wat ze zelfs nog niet met haar man heeft besproken.
De voor de hand liggende keuze zou zijn om een scène te schrijven waarin ze ruzie maakt met Mills.
“Waarom zijn we hier eigenlijk komen wonen?”
“Ik doe dit voor mijn werk.”
“Ik haat deze stad.”
Deuren dicht.
Maar de film kiest iets subtielers.
Tracy vertelt haar twijfels aan Somerset.
Daardoor weten wij wat Mills niet weet. En vanaf dat moment verandert iedere scène tussen Mills en zijn vrouw.
Er hoeft niets gezegd te worden. Wij nemen die informatie mee.
Een gewone blik kan daardoor iets anders betekenen. Een vriendelijk gesprek krijgt een onderlaag. Er zit iets tussen twee mensen dat niet rechtstreeks op tafel ligt.
Dat is veel interessanter dan wanneer iedereen voortdurend exact zegt wat hij voelt.
De weerstand wordt niet gespeeld in een ruzie. Ze wordt gedragen door de kijker.
Dat is sterk schrijven.
Vraag jezelf dus niet alleen af: waar zit het conflict?
Vraag: wat is de interessantste vorm van weerstand voor deze scène?
Soms is dat een confrontatie. Soms stilte. Soms schaamte. Soms tijdsdruk. Soms een misverstand. Soms iemand die iets veel te graag wil.
En soms gewoon een deur die niet opengaat.
Doseer
Er is nog iets waar ik graag tegen de theorie inga. Ik geloof niet dat letterlijk elke scène conflict moet bevatten.
Ik begrijp waarom die regel wordt aangeleerd. Het is een uitstekende waarschuwing tegen scènes waarin personages eindeloos koffie drinken, informatie uitwisselen en verder niets gebeurt.
Maar soms mag een scène gewoon bestaan, informatie geven, sfeer bouwen.
Een personage beter leren kennen. Een emotionele adempauze bieden. Feelgood creëren.
Twee mensen mogen zelfs een keer prettig met elkaar praten zonder dat één van hen heimelijk de ander wil vermoorden. Je hebt zulke momenten soms nodig.
Als je lezer vierhonderd pagina’s lang alleen maar weerstand krijgt, wordt weerstand uiteindelijk de normale toestand.
En dan verliest ze haar kracht.
Je schrijft geen scène omdat je “nog wat conflict nodig hebt”. Je gebruikt weerstand om iets zichtbaar te maken.
Omdat weerstand keuzes afdwingt. En keuzes tonen wie iemand is.
Dus ja: zorg voor conflict. Maar kies het. Doseer het. Verstop het soms. Laat het intern zijn.
Laat de lezer het voelen terwijl de personages zelf nog niets doorhebben.
En laat af en toe ook gewoon de zon schijnen.
OVER DE AUTEUR